De kleding die wordt gedragen is hetzelfde als die de bevolking omstreeks 1900 droeg.
Zondags droegen de vrouwen een knipmuts, die bestond uit een kapje van tule met geborduurde bloemmotieven. Verder droegen ze een zwart jak met lange mouwen, aan de voorkant versierd met kant en plooien. Gecombineerd met een zwarte rok met daar overheen een zwart zijden of lustere schort. Onder deze rok droeg men 3 à 4 onderrokken en zwarte schoenen.
Naast de zondagse kleding bezat men het 'daagse uitgaanskostuum'. Geen werkkleding, maar kleding die men droeg als ze doordeweeks van huis ging. Men droeg dan een plooimuts, ook wel troelamuts genoemd. Een katoenen muts versierd met kant met aan de voorkant een geplooid bandje. Verder droeg men een blauw/wit gebloemd jak, die met een schootje over de rok werd gedragen.
Uiteraard zat hieronder een zwarte rok met aan de onderkant een stootrand, waar overheen een blauw/wit geblokte schort werd gedragen. Men liep op wit geschuurde klompen. Bij koud weer werd er bovendien een omslagdoek gedragen. Als tas droeg men een rieten spoormandje.
Bij de mannen verschilde de zondagse en daagse kleding niet zoveel van elkaar.
Het zondagse kostuum bestond uit een lakense jas, daaronder een zwarte broek met klepsluiting. Een blauw/wit gestreepte boezeroen met daar overheen een befje en een vestje. Zat het eraan, dan droeg de man een zilveren zakhorloge met ketting in het vestzakje. Zondags droeg hij zwarte schoenen en een zwarte pet.
De daagse kleding is niet zoveel anders. Alleen het vestje gaat uit, het befje gaat af en natuurlijk loopt hij dan ook op wit geschuurde klompen.